Vraag aan een willekeurige burger op straat of hij liever in een democratie of in een autocratie zou willen leven en hij zegt democratie. Echter, als je doorvraagt wat het verschil dan precies is, is het gesprek snel afgelopen. De burger wordt koest gehouden doordat het mening is dat hij de uiteindelijke macht in handen heeft door zijn stemrecht. Het is zeker een recht, maar is teven een handig instrument om een potentieel woelige meute in bedwang te kunnen houden.

De echte criticaster stelt dat voor het stemrecht louter een toneelstukje wordt opgevoerd en dat de macht niet bij de kiezer ligt maar bij 5 machtsfactoren in de zogenaamde netwerksamenleving. Wetten komen niet tot stand omdat de kiezer voor of tegen stemt simpelweg om de reden dat de kiezer  helemaal niet voor of tegen een wet stemmen. Slechts via een lange omweg met allerlei filters en black boxen stemt de keizer uiteindelijk op hopelijk een representatieve politicus.

de netwerksamenleving | wie heeft de macht

Volgens de Spaanse socioloog Manuel Castell kan het antwoord op de vraag “wie heeft de macht” het beste gegeven worden vanuit het perspectief van de zgn netwerksamenleving. Samengevat: mensen die meer in de netwerksamenleving zitten hebben meer macht en mensen die minder in het netwerk zitten hebben minder macht. In de netwerksamenleving onderscheidt Manuel Castell 5 machtsfactoren:

  1. partijmacht. de macht van de politieke partij die bepaalt welke persoon toe kan treden tot de politieke arena
  2. kapitaalmacht. de macht van de industrie en de investeerders
  3. bestuursmacht. de macht van governmental en non governmental organisaties. Dat wil zeggen alle ambtenaren en NGO’s. wetgevende macht vs uitvoerende macht.
  4. expertmacht. de macht van de universiteiten en onderzoeksbureaus
  5. mediamacht. de macht van de media, NPO, kranten etc

Het mag duidelijk zijn dat ome Kees en tante Truus in bovenstaand rijtje nadrukkelijk niet worden genoemd. Ook is wel duidelijk dat in alle bovenstaande genoemde machtscentra eenzelfde soort mensen zitten met vnl een wetenschappelijke opleiding. Academici die elkaar begrijpen en zich van eenzelfde narratief bedienen.

1. partijmacht. Om met de eerste te beginnen, wie heeft eigenlijk bepaald dat Rob Jetten of Dilan Yeşilgöz? Ook hier speelt de zwarte doos democratie een belangrijke rol. Misschien is Rob Jetten wel niet de beste, of de slimste, maar kwam was op een gegeven moment het beste schaakstuk in een breder spel. Of vormde hij de minste bedreiging voor het bestuur, niemand die het weet. Zelf ben ik lid van de VVD en in app groepen is niemand het duidelijk waarom Dilan Yeşilgöz de partijleider bleef zelfs met zeer stevige kritiek ook van binnenuit. Dit alles wordt bepaald door een select groepje ‘kopstukken’ ergens in Frankrijk in een huis van een rijk persoon. Meer is op dit moment niet bekend. Maar de kiezer heeft de keuze uit de selectie wat voor hem is gemaakt. Niet meer en niet minder.

2. kapitaalmacht. Campagnes van een politieke partij runnen kost veel geld, zeker als er in een korte tijd vele verkiezingen zijn. Omdat Nederland een ‘polderland’ is , is het van eminent belang kapitaalkrachtige medestanders te hebben.

3. bestuursmacht. Dit is de meest interessante en tevens meest controversiële machtsvorm. Stel een motie wordt aangenomen en dan moet die ook worden uitgevoerd. Dan is belangrijk de wetgevende macht (de regering) te onderscheiden van de uitvoerende macht (de ambtenaren). Het mag duidelijk zijn dat net zoals in een bedrijf sommige projecten beter lopen dan andere, dit is ook het geval bij ambtenaren. Ambtenaren kunnen simpelweg tegenwerken, of informatie achterhouden, verkeerde voorstelling van zaken maken, moeilijk doen, kortomde zaak frustreren. Ook hier geldt personeelstekorten, ziektes en mensen die goed en minder goed met elkaar samen kunnen werken. Kort samengevat: het is een illusie om te denken dat een aangenomen motie binnen enige tijd ook echt ’te zien is in de maatschappij’. Aanvullend op de ambtenaren zijn de talloze NGO’s (non gouvernementele organisaties) die voor een ‘goed doel strijden’.

4. expertmacht. stel een ongeschoolde PVV’er doet een voorstel die helemaal van tafel wordt geveegd door 3 wetenschappelijke rapporten? Einde discussie. Terwijl het best zou kunnen zijn dat het uitgangspunt van de genoemde PVV’er volstrekt legitiem is. Probeer maar tegen – wetenschappelijke rapporten te bemachtigen..

5. de mediamacht. de laatste tijd is veel te doen over de NPO en de ‘controlerende functie van de media’. Volgens de journalistieke code dient de journalist objectieve te zijn, hoor en wederhoor toe te passen. Veel is al op deze website geschreven dat dit zeker niet het geval is. Hierdoor wordt de democratie ondermijnt ten gunste van de een en ten nadele van de ander. Gevolg is dat partijen zich niet gehoord voelen en steeds minder vertouwen in ‘de politiek’ te krijgen.

de liberale democratie en de onnozele burger

Waar is ome Kees en tante Truus in dit verhaal? Die denkt de uiteindelijke macht in handen te hebben. Niets is minder waar. De kiezer wordt een beperkte selectie aan keuzes voor gehouden. En als we dit niet doen dan gebeurt er dat. Mooie beloftes en bewijsvoeringen. Het zal allemaal wel. Wie controleert eigenlijk de media? De mediawaakhond. En dit doen ze aan de hand van de wetten die gevormd zijn in de liberale democratie. Alleen het woord liberaal doet al vermoeden dat het om vrijheid gaat maar dat is niet zo. Liberale democratie betekent dat de rechten van minderheden worden beschermd. Dat is het speelveld waarin alle bovenstaande plaatsvindt. En wat vind ome Kees en tante Truus hier eigenlijk van?